40-dagen Rechters; Overdenking bij Rechters 9 en 10:1-5

Leestekst: Rechters 9:7-15

Het terugkerende patroon in het Bijbelboek Rechters is helder; zodra een Rechter sterft, vergeet het volk Israël de weldaden van God. Het volk gaat afgoden dienen en zucht uiteindelijk onder onderdrukking. En ook na de dood van Gideon komt er een einde aan 40 jaar vrede. De afgod Baäl-Berit (god van het verbond) wordt door het volk als hun nieuwe god geëerd.  Maar de vreemde overheersers blijven uit; de vijand komt dit keer uit onverwachte hoek.

De zonen van Gideon

Gideon is oud, woont in zijn geboorteplaats Ofra (waarvan de naam verwant is aan het Hebreeuws woord עפר, stof (waaruit de mens geschapen werd in Genesis 2:7). Gideon leefde eerzuchtig en vol gevoelens van miskenning. En uit zijn levensstijl als koning blijkt dat hij de genade die hij van God ontving, is vergeten.

Voor hij sterft wordt nog wel vermeld dat hij zeventig zonen krijgt en één zoon bij een bijvrouw, Abimelech: mijn vader is koning.

Als Gideon sterft doet zijn buitenechtelijke zoon Abimelech een succesvolle poging koning te worden. Hij verwerft daarvoor de steun van de inwoners van de stad van zijn moeder, Sichem.

Sichem is een bijzonder en belangrijke plaats. God verscheen hier aan Abram om hem te zeggen dat dit het beloofde land was. Het was de eerste plek waar een altaar voor God werd gebouwd. En het was de plaats waar Jozua het volk voor de eerste keer na de intocht in het beloofde land samenbracht om God aan te roepen.

Toen Abimelech de inwoners van Sichem vroeg hem te verkiezen als koning, in plaats van zijn zeventig halfbroers, blijkt dat de inwoners inmiddels de afgod (van het verbond) Baäl-Berit dienden. Vanuit de rijkdom van die tempel, krijgt Abimelech namelijk financiële steun om een leger samen te stellen.

parabel van de koning er bomen

Het geld van de afgod helpt Abimelech aan de macht te komen. Hij vermoordt daarvoor wel op één na al zijn half-broers. Alleen de jongste, Jotam, ontkwam. Zijn naam betekent: de Heer is volmaakt.

En tussen al die verzen waar God niet bij Zijn Naam (יהוה) wordt genoemd (van vers 8:34 tot vers 10-6), mag deze broer iets van Gods volmaakte rechtvaardigheid tonen. Hij doet dit in de parabel over de koning van de bomen (9:7-15).
Het verhaal maakt duidelijk dat de keuze om Abimelech tot koning te verkiezen een dwaling is. Het volk Israël lijkt los te zijn geraakt van haar wortels. Belangrijke (en betekenisvolle) bomen, zoals de olijfboom, de vijgenboom en de wijnstok bedanken voor de eer om koning te worden. Daarom vraagt men het de doornstruik. Dat is een waardeloze zeer struik. Deze struiken waren juist een gevaar voor de vruchtdragende bomen, omdat de struiken zo eenvoudig in brand vlogen. Maar, uitgerekend de doornstruik aanvaard het koningschap.

Het zelfverkozen leiderschap en koningsschap komen Abimelech en het volk duur te staan. Al na drie jaar creëert God zoveel verdeeldheid dat Abimelech stad na stad moet veroveren. Opvallend is dat hij daarbij de inwoners van de stad Migdal-Sichem, die zich in een toren van een tempel van een afgod hadden verschanst, met toren en al laat verbranden. Geheel in lijn met de voorspelling van zijn jongste half-broer Jotam: dan zal er uit Abimelech een vuur komen dat de burgers van Sichem en Bet-Millo zal verteren, en er zal uit de burgers van Sichem en Bet-Millo een vuur komen dat Abimelech zal verteren. (vers 9:20).
Bij een volgende belegering sneuvelt Abimelech.

zelf je eigen vijand

God laat vervolgens zijn genade blijken doordat er 23 jaar vrede is onder de rechter Tola (10:1) en daarna 22 jaar onder Jaïr (10:3).  Rechter Tola wordt geïntroduceerd als de bevrijder van Israël. Echter, er was geen sprake van vreemde overheersers.

Soms komt onderdrukking niet van vreemde bezetters.
Soms blijk je zelf de bron van onderdrukking en ben je je eigen vijand.

Ook dan laat God ons niet los!  Hij zorgt voor u, jou en mij, beter dan dat wij voor onszelf zorgen.
Zoals God hij ook opnieuw voor Israël zorgt, Hij won haar terug, toen hij Tola zond om het volk te bevrijden (vers 10:2).

Heer, 
met heel mijn hart wil ik U volgen, helpt U mij om niet af te dwalen
(Psalm 199:10)

 

Tycho Jansen