40-dagen Rechters; Overdenking bij Richteren 8:22-32

De opmars van Gideon wordt niet meer gestopt. Uiteindelijk moeten de Midjanieten buigen voor de overmacht. Na de strijd tegen de vijand, breekt voor Gideon een nieuwe strijd aan. Een worsteling, die we allemaal kennen: de verleiding van macht.

Er was maar één reden dat Gideon deze overwinningen kon behalen: God had hem uitgekozen om het volk Israël te bevrijden. En als nieuwe leider van het volk bleek Gideon een verbindend leider (zie de overdenking van maandag jl.). Hij spreekt niet over hoe God hem de overwinning in handen zou geven, maar hoe God de overwinning aan zijn soldaten, Gideonsbende, zal geven (verzen 7:9 en 7:15).

Maar, nu is de strijd gestreden. Het volk leeft in vrede, zonder overheersing. De relatie met God krijgt tijd om te helen. En het volk zoekt een leider. En het volk vraagt Gideon om koning van Israël te worden. En niet alleen Gideon, maar ook zijn zoon en de zoon van zijn zoon en de zoon daarvan; kortom, Gideon krijgt niet alleen een koninkrijk, maar een dynastie aangeboden (vers 22).

getuigenis

Gideon weigert. En legt daarbij een prachtige getuigenis af:

‘Ik zal uw heerser niet zijn, en mijn zoon zal uw heerser niet zijn, want de HEER is uw heerser.’ (vers 23). 

Gideon brengt het volk opnieuw in verbinding met God, die het volk heeft bevrijd. God was het immers, die de overwinningen had behaald. In God heeft het volk een Koning en van die Koning komt de genade van een leven in vrede en veiligheid.

Op dat moment schijnt er door Gideon en door zijn getuigenis het licht van Pasen: de Koning brengt blijvende vrede.

Maar direct blijkt dat Gideon toch worstelt met de herkenbare menselijke valkuilen: eerzucht en de honger naar macht en rijkdom. Want, direct na het weigeren van de troon, lijkt Gideon toch te zwichten. Ondanks dat hij geen koning wil zijn, vraagt hij wel de eer en privileges van een koning. Het is alsof hij zijn belastingtarieven bekend maakt:

Maar ik wil u iets anders vragen: laat ieder mij een ring geven uit de buit die hij op de Midjanieten heeft behaald.’ (Deze afstammelingen van Ismaël droegen hun rijkdommen immers in de vorm van gouden sieraden bij zich.) (vers 24).

Ondanks dat hij bedankt voor de titel, leeft Gideon wel als een koning. En dat leven verandert hem. Hij gebruikt de verzamelde rijkdommen om een priestergewaad, een ‘efod’, te laten maken. Dit priestergewaad werd door de hogepriester gedragen in het heilige der heilige, de plaats in de tabernakel waar God woont. Het gewaad stond symbool voor die plek, voor de aanwezigheid van God.

In die dagen stond de tabernakel in de plaats Silo (Rechters 18:31). Echter, Gideon creëert nu een tweede heilige plek voor het volk in zijn woonplaats Ofra. Hij lijkt daarmee letterlijk te willen concurreren met God. Echter, bij het heiligdom van Gideon kwam het volk om het gewaad als een afgod te aanbidden (vers 27).

leven als een koning

Enkele verven later, in vers 31, blijkt op subtiele wijze nogmaals dat Gideon de herkomst van zijn rijkdom en macht is vergeten. Gideon leeft als een vorst in Ofra. Hij heeft vele vrouwen en bijvrouwen en zeventig zonen. De man, die eerst nog weigerde de koning van Israël te worden, krijgt ook een zoon bij een bijvrouw in Sichem. En de naam die Gideon deze zoon geeft, bevestigt het verval op pijnlijke wijze: Abimelech, mijn vader is koning.

Gideon viel voor de verleidingen van macht en rijkdom. Verleidingen die ons allemaal kunnen overkomen. En verleidingen waar we allemaal een zwak voor hebben.

In deze laatste fase van zijn leven diende Gideon met zijn hoofd de Heer, maar zijn hart bleek toch te vatbaar voor de afgoden van macht en eer.

Maar, al had deze man mijn zwakheden en mijn fouten, toch liet God in hem even het licht van Pasen lichten (vers 23). En centraal tussen het vers (27) waarin Gideon zijn eigen afgodendienst instelt en het vers (31) van de zelfverheerlijking in de naam van zijn zoon, blijkt dat God hem gebruikt in de bevrijding die het volk Israël naar veertig (!) jaren van vrede leidt (vers 28).

 

Tycho Jansen