40-dagen Rechters; Overdenking bij Rechters 17; een falend keuzemenu

Leestekst: Rechters 17:1-13

Cultuur en identiteit zijn in deze tijd belangrijke en veel besproken onderwerpen. Toch zijn beide begrippen buitengewoon moeilijk te definiëren. En vaak blijkt de algemene kennis over onze eigen geschiedenis, die onze cultuur en identiteit heeft gevormd, zeer beperkt.

Een typische triviale-vraag over die geschiedenis is het jaartal van ‘De Slag bij Nieuwpoort’. Veel mensen kennen het antwoord (1600), omdat de combinatie van de gebeurtenis en het jaartal vaak worden genoemd, als voorbeeld van ‘feitenkennis’ over onze vaderlandse geschiedenis.

“Wie de geschiedenis niet kent is gedoemd ze te herhalen”
George Santayana (1893 – 1952)

Heel kort: de Slag bij Nieuwpoort is van doorslaggevend belang geweest voor onze identiteit; Stadhouder Maurits van Nassau (later van Oranje) won een strategisch belangrijke overwinning op de Spaanse Koning. Maurits was Graaf van Nassau en later Prins van Oranje, maar hij was ook Stadhouder van Holland en Zeeland. Stadhouders zijn als bestuurders vergelijkbaar met de rechters van het volk Israël. Het waren geen koningen, maar hadden wel vergelijkbare bestuurlijke macht. En het waren ook de legeraanvoerders. In in de loop der jaren zijn twee stadhouderloze-tijdperken: jaren waarin er geen stadhouder was.

Na de dood van Simson leeft het volk Israël eigenlijk in hun stadhouder- of beter gezicht rechter-loze tijdperk. Of zoals vers 6 van hoofdstuk 17 staat: “In die tijd was er geen koning in Israël; iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was.”.

De laatste hoofdstukken van het Bijbelboek Rechters beschrijven die periode. Vrijwel direct na het begin (17:6) en helemaal aan het eind van die hoofdstukken (21:25) staat exact deze regel: “In die tijd was er geen koning in Israël; iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was.”. In deze teksten wordt de naam van God, יהוה, nauwelijks genoemd.

Hoofdstuk 17 beschrijft in het verhaal van 1 man, op welke wijzen het volk deed “wat in zijn eigen ogen goed was”. Het is overduidelijk dat het volk haar relatie met God laat versloffen, de regels laat verslappen en de aanbidding van God en (af)goden vermengd.

Als model voor het volk wordt ingezoomd op Micha (niet te verwarren met de latere profeet). De naam van deze man heeft een veelzeggende betekenis: “Wie is als de HEER”.

Maar, direct wordt duidelijk dat hijzelf in ieder geval niet ‘is als de HEER’: hij stal zilver van zijn eigen moeder. Maar, helemaal slecht lijkt hij ook niet te zijn; in zijn huis had hij een heiligdom ingericht. Hij had een zoon van hem als priester aangesteld en zelfs een priestergewaad laten maken. Een diepgelovig man; al was dat geloof wel in strijd met de Wet: zijn zoon was geen Leviet (zoals priesters moesten zijn)  en in zijn heiligdom stonden meerdere godenbeeldjes (vers 5).

Micha en zijn moeder

Toch krijgt Micha spijt van de diefstal van maar liefst 1100 sjekel (ongeveer 12,5 kilo) zilver van zijn moeder. En de tekst (vers 2) doet vermoeden dat de angst voor de vloek die zijn moeder uitsprak over de dief, daar een belangrijk aandeel in had. Hoe dan ook: hij geeft het geld terug.

Zijn moeder blijkt een gelovige en een wel erg vergevingsgezinde vrouw te zijn. Ze heft direct de vloek op door de Zegen van God voor haar zoon te vragen. En zonder vermaning of straf, lijkt de
diefstal te zijn vergeven.

Uit dankbaarheid zegt de vrouw het geld, omwille van haar zoon, aan God te zullen wijden. En opnieuw noemt ze God daarbij bij zijn naam, יהוה. Ze gebruikt grote woorden, maar helaas blijkt dat ze die niet kan omzetten in evengrote daden. Van de 1100 sjekel wijdt ze er 200 aan God. Met dat zilver laat ze een edelsmid een houten (dus gesneden) beeld beslaan. De rest houdt ze bij zichzelf.
Het beeld van God krijgt een plaats in het heiligdom van Micha. Geheel in strijd met het eerdere beeld van haar, als vergevingsgezinde gelovige vrouw, overtreedt de vrouw het tweede gebod (Maak geen godenbeelden) .
In drie verzen (2-4) vergeeft de moeder haar zoon, maar zonder hem terecht te wijzen en verantwoordelijk te stellen, en breekt ze de Wet van God. De Wet van de God, die de vrouw bij aanriep bij Zijn Naam om de vloek over haar zoon op te heffen.  De moeder deed wat in haar ogen goed was, maar heeft daarmee God gekwetst.

Een priester uit Bethlehem

Micha was geen slecht mens, maar doet aan de andere kant zijn naam (wie is als de HEER) geen eer aan. Zijn geloof is goed te vergelijken met een keuzemenu. Hij heeft ontzag voor God,  anders was hij niet zo bang geworden van de vloek in de naam van God, die zijn moeder uitsprak. Maar, net als zijn moeder, past hij de tien geboden en andere regels, meer dan creatief toe.

Micha is daarmee een toonbeeld voor hoe het volk Israël leeft in een tijd waarin iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was. 

Hoofdstuk 17 besluit dan ook met deze dubbele moraal. Micha weet een Leviet, een priester, uit Bethlehem (!) te overtuigen in zijn huis-heiligdom te dienen. Goed nieuws, want -zo zegt Micha- “Nu ik een Leviet als priester in dienst heb, ben ik ervan verzekerd dat ik van de HEER niets dan goeds te verwachten heb.” (vers 13b)

In veel opzichten toont dit hoofdstuk een tijdloos beeld. Ook ik heb soms een dubbele moraal. Ik bedoel het goed of, populair gezegd, ik volg mijn hart bij de keuze van de dingen die we doen. Maar, mijn hart verwart mij soms, bijvoorbeeld door hebzucht of eerzucht.
Als we zo God willen volgen, is de kans groot dat ook wij Zijn Woord en Zijn Wet gebruiken als keuzemenu. Omdat soms ons hart kiest om even niet “te zijn als de Heer”.

Tycho Jansen